Anne Laning is een groot fan van het nieuwe pensioenstelsel, zoals hij hier bekent. Ik ben juist een groot tegenstander van het nieuwe stelsel, zie hier, hier en hier.

Met een gestileerd model van een pensioenfonds heb ik doorgerekend wat de effecten zijn als de scherpe kanten van het nieuwe stelsel worden afgevijld. De resultaten werden gepubliceerd in het economenblad ESB. Maar zie ook hier voor een minder economische uitleg. Laning nam de moeite mijn ESB-artikel uitgebreid te recenseren. Dat stel ik natuurlijk zeer op prijs, want het model zal praktisch hier en daar misschien niet helemaal kloppen. Maar volgens Laning zitten er in mijn model niet alleen feitelijke onjuistheden, maar ook denkfouten. Dat is nogal wat als de praktijkman (Laning) de theorieman (Verbon) denkfouten verwijt.   

De pensioengarantie in het oude stelsel

Laten we zijn opmerkingen eens langslopen. Volgens Laning kende het oude stelsel “geen gegarandeerd nominaal pensioen en in het oude stelsel bepaalden de ingelegde premies en de daarmee behaalde rendementen mede de uitkering”. Het eerste punt (de aanspraak) zou een feitelijke onjuistheid kunnen zijn. Het tweede punt zou duidelijk een denkfout van mij zijn. We gaan het na.

Gelukkig dankzij pensioengarantie
Bron: unsplash.com

Ik weet niet anders dan dat deelnemers in het oude stelsel een pensioen voorgespiegeld kregen van 70% van het verdiende inkomen. Die garantie was natuurlijk wel onder een paar praktische voorwaarden. De belangrijkste voorwaarde was dat een deelnemer 40 jaar premie zou betalen bij hetzelfde pensioenfonds. Laning lijkt te ontkennen dat er überhaupt een garantie was. Het CBS in een publicatie uit 2008 geeft mij echter wel gelijk. Heel recent deelde de FNV het volgende mee aan zijn leden: “Bij 40 dienstjaren bedraagt het ouderdomspensioen samen met de AOW-uitkering doorgaans zo’n 70 procent van het gemiddelde loon.” Precies wat ik dacht. Dat dacht ook Herman Kappelle, hoogleraar fiscaal pensioenrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam die zoiets zei bij Een Vandaag. Waarom Laning wil of denkt te kunnen ontkennen dat er in het oude pensioenstelsel een belofte op een bepaalde pensioenhoogte bestond, is mij een raadsel.

Wanneer bepalen de premies de uitkeringen?  

Evenzo is zijn stelling dat in het oude pensioenstelsel de uitkering bepaald werd door de premies zeer curieus. Een deelnemer bij een pensioenfonds die 40 jaar lang pensioenpremies had betaald, kreeg het beloofde pensioen, ongeacht de betaalde premies en ongeacht het door het fonds behaalde rendement op die premies. Uiteraard moest het pensioenfonds wel zorgen dat de betaalde premies en het gemaakte rendement genoeg zouden zijn om de pensioenen te kunnen financieren. Dat was iets wat de pensioenfondsen moesten oplossen, maar duidelijk geen probleem voor de deelnemers was.

Dat wordt het in het nieuwe pensioenstelsel echter wel. Hoe lager het rendement op de betaalde premies zal zijn, des te lager ook de pensioenuitkering zal worden. Het risico van lage rendementen lag in het oude stelsel bij het pensioenfonds en ligt nu dus bij de deelnemer. Ik ben daarom bang dat de denkfout op dit punt niet door mij, maar door Laning is gemaakt.

De vaste rekenrente

Op naar de volgende opmerking van Laning. Hij denkt dat er in het oude stelsel geen vaste rekenrente gold om de waarde van de verplichtingen te bepalen. Laat ik om dit te counteren maar een citaat van Jaap van Duijn geven uit De Telegraaf van 2010 (exacte bron heb ik niet, ik heb het van deze site): “De hierboven genoemde conservatieve 4% werd als rekenrente decennia lang door pensioenfondsen gehanteerd om hun verplichtingen te bepalen en iedereen was gelukkig.” Inderdaad, een vaste rekenrente van 4 procent. Joop Hartog dan: “Deze (…) pensioenfondsen werden van 1954 tot 2007 gereguleerd door de Pensioen- en Spaarfondsenwet 1952. Voor toekomstige verplichtingen werd een vaste rekenrente gehanteerd van 4%, een in die tijd gebruikelijke vuistregel.”

Dit is geen vaste rekenrente
Bron: commons.wikimedia.org

Een vaste rekenrente dus en inderdaad, die gold tot 2007. Toen moesten de pensioenfondsen op instigatie van DNB volgens het Financieel ToetsingsKader (FTK) de vaste rekenrente van 4 procent vervangen door de marktrente. Dat was het begin van de ondermijning van het oude pensioenstelsel.

De reden was dat door de fluctuaties in de marktrente de pensioenfondsen het ene jaar grote vermogenstekorten op papier konden hebben die het volgende jaar op papier weer konden omslaan in hoge overschotten. Door te eisen dat de pensioenfondsen de feitelijke marktrente gebruikten, moesten de pensioenfondsen bij lage rentes hoge premies vragen – of lage uitkeringen geven – om het kunstmatige tekort aan te vullen. Bij hoge rentes gold het omgekeerde. Je hoeft geen econoom te zijn om te kunnen inzien dat dit vanuit economisch gezichtspunt een contraproductief beleid is.

Verplichte pensioenfondsen vormen geen vrije markt

Mijn voorstel in het ESB-artikel om deelnemers een vast rendement te garanderen, komt natuurlijk in de buurt van een vaste rekenrente. Daarmee gaat het nieuwe pensioenstelsel weer een beetje lijken op het oude pensioenstelsel van voor 2007. Bovendien, door de overheid de solidariteitsreserve te laten organiseren, hoeven de pensioenfondsen zich alleen maar met het beleggen van de ingelegde premies bezig te houden. Moeten we dan rekening houden met “de discontinuïteit van pensioenfondsen”, wat ik volgens Laning wel had moeten doen? Er zijn in de afgelopen jaren immers steeds meer pensioenfondsen verdwenen. En, aldus Laning, “de verdwenen pensioenfondsen hebben hun verplichtingen op de vrije markt moeten overdragen aan een volgende pensioenuitvoerder. (…) Deze overdrachten vinden plaats tegen minimaal de marktwaarde van de verplichtingen, anders zouden namelijk de overnemende partijen verlies lijden op de overname, wat niet in het belang is van hun stakeholders.”

Daar kan ik twee dingen over zeggen. Op de eerste plaats, een van de weinige voordelen van het nieuwe pensioenstelsel ten opzichte van het oude pensioenstelsel is dat op ieder moment duidelijk is over hoeveel pensioenvermogen een deelnemer beschikt. Als dus een pensioenfonds om wat voor reden dan ook ophoudt te bestaan, kunnen de individuele vermogens relatief eenvoudig naar andere pensioenfondsen overgedragen worden. De overheid zou eventueel een acceptatieplicht kunnen invoeren. Er hoeft verder niets verkocht te worden, de verplichte pensioenen zijn namelijk niet, zoals Laning schijnt te denken, onderdeel van een vrije markt. De marktrente is, met andere woorden, volledig irrelevant.

Maar concurrentie tussen pensioenfondsen is gewenst

Op de tweede plaats, het gaat hier om de rendementen exclusief het gegarandeerde rendement. Als het teloorgegane fonds een slechte belegger is geweest, zal er relatief weinig naar het nieuwe pensioenfonds gaan. Maar het deel van het vermogen van het pensioenfonds dat overgaat naar de solidariteitsreserve, valt hier buiten. De herverdeling is immers in mijn voorstel op nationaal niveau de taak van het solidariteitsfonds.    

Laning maakt zich ook nog zorgen over de dekkingsgraad van pensioenfondsen. Die dekkingsgraad is echter niet meer relevant na de invoering van een nationaal solidariteitsfonds. Laning vreest ook dat bij mijn voorstel pensioenfondsen geen prikkel meer hebben om een goed rendement te halen. Ik zou zeggen dat dat sowieso een nadeel is van het nieuwe pensioenstelsel.

Onder het oude pensioenstelsel was er voor pensioenfondsen een prikkel om goede rendementen te halen, want zij waren gehouden om de garantie van het vaste pensioen waar te maken. In het nieuwe stelsel zijn de gevolgen van een slecht beleggingsbeleid voor de deelnemers. De belofte is immers dat zij de betaalde premies retour krijgen en de daarop gemaakte rendementen door de pensioenfondsen. Daarom lijkt het me aan te bevelen om aan deelnemers een vrije keuze van pensioenfonds te bieden. Dit had ik wel in mijn eerdere blogpost, maar niet in mijn ESB-artikel vermeld.

Conclusie

De bezwaren van Laning tegen mijn voorstel snijden geen hout. Hij is zo verblind door zijn liefde voor het nieuwe pensioenstelsel dat hij de bezwaren ervan niet meer ziet. De weinige voordelen die het nieuwe pensioenstelsel deelnemers biedt, lijkt hij overigens ook niet te zien.


0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.