Lange tijd dacht ik dat ik mijn leven wel zonder kinderen zou kunnen slijten. Zonder kinderen heb je een hoop vrije tijd, of je kunt al je tijd aan je werk besteden. Op een gegeven moment (ik was 37 jaar, mijn echtgenote 34 jaar oud) kreeg ik alsnog het idee in een doodlopende straat te zijn beland. Ik zag het eind al waar alles ophield; het zal wel te maken hebben gehad met de wens onsterfelijk te zijn die velen van ons koesteren. Zonder kinderen is er na jou en na je (eventuele) partner geen toekomst meer. Je bent van de aardbodem verdwenen en niets herinnert meer aan wat je was en wat je deed.

Een eigen gezin

Toen waren we op vakantie en naast onze kampeerplek stond een Engelse camper waarin zich drie kleine blonde meisjes bevonden. Toen zij met zijn drieën “duckies, duckies” riepen naar de eenden ter plaatse, was ik verkocht: ik wilde ook wel drie blonde meisjes. Vijf jaar later hadden wij drie blonde meisjes van 0, 2 en 4 jaar oud. Hoewel ik soms natuurlijk wel dacht, kon ik maar weer in mijn eentje 80 kilometer op de racefiets (want dat kon uiteraard niet meer), was het leven met drie kleine meisjes een feest. Wat vooral leuk was, was dat, hoewel ze fysiek wel op elkaar leken, ze heel verschillend waren. De oudste twee waren slim en gedreven en wilden alles zo goed mogelijk doen. De jongste, die ook slim was (misschien wel het slimste) bekeek alles kritisch en ging alleen tot het uiterste, zoals haar oudere zussen, als ze het de moeite waard vond. Dat was niet altijd het geval.

De tijd dat je kinderen in je huis hebt is voorbij voordat je erg in hebt: opens zijn ze niet meer bij je in huis en zijn ze hun eigen boontjes aan het doppen. Dan begin je je af te vragen of je niet meer van die tijd had moeten genieten. Had je niet beter je werk kunnen laten liggen, had je niet beter dit, had je niet beter dat. Maar het is te laat, de vogeltjes zijn gevlogen. Hoewel te laat?

Of een pleeggezin

Je kunt altijd nog met een pleeggezin beginnen. Lees bijvoorbeeld dit aandoenlijke verhaal uit De Volkskrant. Een ouderpaar met allebei een vaste baan en twee kinderen van henzelf begint met de opvang van pleegkinderen. Het aandoenlijke van dit verhaal is dat de ‘gastouders’ deze kinderen hebben opgenomen “vanwege geweld of seksueel misbruik of omdat hun ouders verslaafd zijn of psychiatrische problemen hebben. Allemaal hebben ze een hechtingsstoornis, vier kampen met een posttraumatische stressstoornis.” Er kwam bij hen onlangs een meisje dat  eerst haar tassen niet wilde uitpakken, want kinderen zoals zij “zijn al zo vaak teleurgesteld in het leven, ze durven er niet op te vertrouwen dat wij de waarheid spreken. Als ze al op zoveel plekken hebben gezeten, waarom zouden ze hier dan wel mogen blijven?” Nog zo’ n citaat: “ze leren al heel veel door de manier waarop wij met elkaar omgaan. Ze zien bijvoorbeeld dat je boos of teleurgesteld kunt zijn zonder agressief te worden.”  Of: “Veel gedrag heeft voor hen een andere lading. Als ik mijn stem verhef tegen de hond, zie je ze soms nog wegduiken.”

Deze pleegkinderen komen uit een wereld die ik niet begrijp. Hoe kun je kinderen op de wereld zetten als je ze eigenlijk niet wilt hebben. Kinderen zijn kostbare geschenken, waar je niet zomaar mee kunt doen wat je wilt. Ik heb wel makkelijk praten, want onze drie dochters waren lieve, gezeglijke kinderen; hun gedrag leidde nooit tot problemen. Maar ik heb me vaak afgevraagd, kwam dat nu omdat ze in een veilig huis woonden, of was dat hun natuur (die ze dan op een of andere manier van ons hadden geërfd). Ik zal het nooit weten, want we kunnen hun opvoeding niet overdoen onder andere slechtere omstandigheden (gelukkig maar). Ik weet dus niet wat ik gedaan had als onze kinderen niet lief en gezeglijk waren geweest. Maar het lijkt me een hard beginsel dat je je kinderen niet mag misbruiken, niet mag verwaarlozen en niet mag mishandelen (geestelijk of fysiek) en dat je ze, zoveel als mogelijk is een onbezorgde jeugd moet geven. Als je je aan die simpele voorwaarden niet kunt houden, neem dan geen kinderen.

Bron: De Volkskrant/Katja Poelwijk

Ik heb alleen maar bewondering en waardering voor de pleegouders uit dit verhaal in De Volkskrant. Zij proberen er voor te zorgen dat deze kinderen niet hun hele leven beschadigd blijven en alsnog opgroeien tot volwassenen die zelf later hun eigen kinderen de veiligheid kunnen bieden die ze zelf niet van hun eigen ouders kregen. Maar toch, er knaagt iets bij mij. Waarom zijn deze verwaarloosde, misbruikte, mishandelde kinderen er? Waarom hebben wij (wij = de maatschappij) niet proberen te voorkomen dat deze kinderen op de wereld werden gezet. 

Waarom zorgen wij er niet voor dat er alleen maar kinderen op de wereld komen die niet tot problemen leiden, maar, bij voorkeur, leiden tot een verbetering van het menselijk ras? Het is een oude vraag, die in de loop der tijd ook een sinistere bijklank heeft gekregen, namelijk door de rassenleer van de Nazi’s die recent ook weer door de Amerikaanse superpedofiel en miljardair Jeffrey Epstein nieuw leven is ingeblazen. Maar laten we de vraag wat inperken: als we van echtparen zeker weten dat hun eventuele kinderen een gemankeerd leven tegemoet gaan, waarom verbieden we deze echtparen niet om kinderen op de wereld te zetten? Kinderen krijgen is een gift, maar paren die die gift niet waard zijn (of die gift niet naar waarde weten te schatten), zouden die gift niet moeten ontvangen.

Voor verplichte anticonceptie

Paul Vlaardingerbroek is emeritus hoogleraar familierecht aan de universiteit van Tilburg. Hij heeft er meerdere malen voor gepleit dat als een eerste kind uit huis is geplaatst, omdat ouders er volgens jeugdzorg, kinderbescherming en de rechter een puinhoop van maken, het mogelijk moet zijn om de moeder te verbieden vooralsnog zwanger te worden. Om zijn betoog te illustreren gaf hij eens het voorbeeld van een vrouw die veertien kinderen kreeg die allemaal op één na uit huis werden geplaatst. Dat ene kind leed uiteindelijk aan obesitas. Bovendien worden er volgens hem jaarlijks in Nederland zo’n 250 kinderen al in de baarmoeder feitelijk onder toezicht gesteld. Reden genoeg dus om een verbod op het “krijgen van kinderen” voor sommige echtparen, en of vrouwen, in te voeren.  Dat verbod kan afgedwongen worden bijvoorbeeld door een chip onder de huid aan te brengen waardoor het gedurende een jaar niet mogelijk is zwanger te worden. Het is een sympathiek idee, want niet alleen het al geboren kind, maar ook het nog niet verwekte kind verdient bescherming van de overheid. Natuurlijk hoeft niet of niet alleen de vrouw aansprakelijk te zijn voor gemankeerde levens van kinderen, het kan net zo goed (of juist) door wangedrag van de vader komen. Verplichte (eventueel tijdelijke) sterilisatie van de man zou dan de remedie zijn.  Of je nu via de potentiële vader of potentiële moeder voorkomt dat er kinderen op de wereld gezet worden door incapabele ouders, er is een groot problem met dit idee. Namelijk dat er nauwelijks steun voor is. 

Of tegen verplichte anticonceptie

Uiteindelijk gaat deze discussie om het recht dat je als vrouw of man zelf over je eigen lichaam mag beschikken tegenover het recht van een kind op een leven dat niet bij voorbaat ellendig zal zijn. Het is een moeilijke afweging, maar een die toch gemaakt moet worden, zeker door medische ethici die van huis uit de levende mens plaatsen voor (nog) niet levende mensen. Gert van Dijk is zo’n medisch ethicus en inderdaad hij maakt die afweging niet. Het ongeboren kind lijkt bij hem niet te bestaan, hij kent het in ieder geval geen enkel recht toe, want hij zegt letterlijk: “Er zijn andere manieren om het kind te beschermen.” Het woord ‘ongeboren’ ontbreekt inderdaad in dit citaat. Hij geeft echter ook een meer praktisch argument tegen verplichte anticonceptie: artsen mogen namelijk geen handelingen verrichten tegen de wil van een wilsbekwame patiënt. Hoe verplichte anticonceptie dan kan worden afgedwongen als de vrouw (of man) in kwestie niet wil meewerken, is hem onduidelijk. Meer principieel is de jongerenafdeling van D66: “Hoewel anticonceptie (…) uitkomst kan bieden, is verplichte anticonceptie een onaanvaardbare aantasting van de integriteit van het lichaam.” Het recht van de ouder is volgens dit citaat sterker dan het recht van het ongeboren kind.

Verplichte anticonceptie is juridisch te verdedigen

Sir Francis Galton, de vader van de eugenetica, was een voorstander van  selective breeding: Mensen uit de ‘genetische elite’ zouden meer kinderen moeten krijgen dan mensen uit de ‘lagere genetische regionen’. De kinderwens van de ‘meest gewenste klasse’ moest volgens hem zoveel mogelijk gestimuleerd worden, bijvoorbeeld met financiële middelen. Uitkeringen (die er in zijn tijd nauwelijks waren) zouden van de ‘ongewensten’ naar de ‘gewensten’ moeten gaan. Als armoede voor de lagere klasse niet hielp om het kindertal te beperken, dan was er de mogelijkheid van verplichte sterilisatie. Zijn ideeën sloegen in het begin van de 20e eeuw aan en in diverse landen konden rechters verplichte sterilisatie opleggen. Verplichte sterilisatie werd echter vooral opgelegd aan bepaalde groepen. Lees bijvoorbeeld hier dat in Californië vooral Latijns-Amerikanen gedwongen werden zich te laten steiliseren. Dat rassenvooroordelen bepalend konden zijn voor gedwongen sterilisatie, werd natuurlijk vooral duidelijk in Nazi-Duitsland. Daarmee heeft de wens om de kwaliteit van de bevolking te verbeteren door selectieve geboortenbeperking een slechte naam gekregen.

Etnische profilering, zoals in Californië, of, erger, racisme, zoals in Nazi-Duitsland is hier echter niet aan de orde. Tijdelijke of permanente verplichte anticonceptie is een ‘straf’ voor een gepleegde ‘misdaad’, namelijk het geestelijk en/of lichamelijk misvormen van kinderen die je hebt gekregen. Verplichte anticonceptie kan dan ook alleen worden toegepast nadat de ‘misdaad’ is aangetoond en dus niet als er alleen maar een vermoeden is dat een ouderechtpaar niet in staat zal zijn op een verantwoorde manier voor kinderen te zorgen. Het motief is ook niet, zoals in de tijd van Galton, om de ‘betere klassen’ meer kinderen te laten krijgen dan de ‘mindere klassen. Verplichte anticoncceptie is een straf die te vergelijken is met een straf die de rechter oplegt als iemand met opzet anderen mishandelt of vermoordt. Niemand zal dan beweren dat een celstraf in het laatste geval een “aantasting is van de  lichamelijke integriteit en het recht op zelfbeschikking,” en dus in strijd is met het verdrag voor de rechten van de mens. In het geval van verplichte anticonceptie wordt dit argument wel  naar voren gehaald, zoals bijvoorbeeld door Janneke Holman van de PvdA of door het college voor de rechten van de mens. Dit argument snijdt dus geen hout, omdat verplichte anticonceptie een straf is die vergelijkbaar is met een celstraf. In de cel wordt je recht op het krijgen van kinderen ook flink beknot.

Conclusie

Het opleggen van verplichte anticonceptie lijkt mij dus juridisch goed verdedigbaar. Wat dan als de ‘veroordeelde’ daar niet aan mee wil werken? Dan lijkt mij een celstraf voor het plegen van obstructie van de rechtsgang, een goed alternatief. Een ‘veroordeelde’ mag dan kiezen: of anticonceptie of tijdelijk de cel in.