Dit is een inleiding tot een mini-cursus, bestaande uit vier colleges over economische unies, waarbij de EU als illustratie zal dienen. Deze cursus is oorspronkelijk gegeven in het kader van het Hoger Onderwijs Voor Ouderen (HOVO) in Brabant. Nu is dat een cursus geworden die de geïnteresseerde lezer tegen een bescheiden vergoeding (15 euro) kan downloaden van mijn website.

Hieronder kun je een YouTube video aanklikken, waarin een korte presentatie gegeven wordt over het eerste deel van deze inleiding.

Deze cursus gaat over de vraag waarom economische unies bestaan en, als ze bestaan, hoe dan de verhouding tussen verschillende overheidslagen in een unie van staten is of zou moeten zijn. Ofte wel, over welke zaken beslist de centrale overheid en over welke zaken beslissen de afzonderlijke lidstaten in een unie en is die taakverdeling op een of andere manier de ‘optimale’ taakverdeling.

Voorafgaand hieraan moet worden opgemerkt dat het niet altijd duidelijk is wat de centrale overheid is in een economische unie. Dus eerst bekijken we kort de vraag:

Wat is de centrale overheid?

De centrale overheid is de hoogste bestuurslaag van een land. Meestal is het duidelijk wat de centrale overheid is. In Nederland is dat bijvoorbeeld het Rijk. Het Rijk bepaalt de landelijke wetgeving en het landelijke beleid. Onder het Rijk bevinden zich de lagere overheden, zoals bijvoorbeeld, de gemeenten. Gemeenten hebben lokale taken, waar ze zelfstandig over kunnen beslissen en die ze ook zelfstandig kunnen uitvoeren. Daarnaast moeten gemeenten ook rijkstaken mede uitvoeren, waarvoor de lokale beleidsvrijheid beperkt is.

In de EU zijn de ‘lagere overheden’ duidelijk aan te wijzen. Dat zijn de 27 lidstaten. Wat de centrale overheid in de EU is, is echter minder duidelijk. Dat blijkt ook alleen al uit het feit dat er zowel een president (momenteel Charles Michel) en een voorzitter (Ursula von der Leyen) aan het hoofd van de EU staan. Welke van de twee de hoogste functie heeft, is geen uitgemaakte zaak, zoals pijnlijk bleek uit het zogenaamde stoelincident.

Michel is voorzitter van de Europese Raad, die bestaat uit de regeringsleiders van de 27 lidstaten. De Europese raad beslist over het algemene beleid en stelt de politieke prioriteiten van de EU vast. Wetgeving op EU-niveau, echter, wordt voorbereid door de Europese Commissie, waar Von der Leyen de voorzitter is. De samenstelling van de Europese Raad duidt erop dat de lidstaten van de EU, anders dan bijvoorbeeld de gemeenten in Nederland, een grote invloed hebben op het centrale beleid van de EU. Zij bepalen het immers deels zelf.

De rol van de centrale overheid bij drie staatsvormen

Nederland en Frankrijk zijn voorbeelden van eenheidsstaten. In een eenheidsstaat is de centrale overheid de overheersende factor in het landsbestuur. De centrale overheid kan echter ook taken decentraliseren naar lagere overheden. Nederland als gedecentraliseerde eenheidsstaat is daar een voorbeeld van. Veel taken, zoals jeugdzorg of de lokale infrastructuur, worden door de gemeenten uitgevoerd. De centrale overheid kan echter altijd weer taken centraliseren.

Een federale staat is veelal ontstaan vanuit een samenwerkingsverband van onafhankelijke staten. Een bekend voorbeeld daarvan vormen de Verenigde Staten (VS) die gezamenlijk in opstand kwamen tegen het moederland, het Verenigd Koninkrijk. De historische ontstaansgeschiedenis van federaties is een verklaring voor de relatief sterke rol die lidstaten in veel federaties kennen. Desondanks hebben die lidstaten zich ondergeschikt gemaakt aan de federale overheid.

Een unie van staten of statenbond (ook wel confederatie genoemd) is een verzameling van soevereine staten die op vrijwillige basis samenwerken en op ieder moment het samenwerkingsverband weer kunnen verlaten. De EU is een vorm van een statenbond, al is de soevereiniteit bij de EU ingeperkt en is het niet eenvoudig de EU te verlaten, zoals bij de Brexit bleek. Kenmerkend voor een statenbond is dat de centrale overheid relatief zwak is, of feitelijk ontbreekt. Zoals we boven gezien hebben, is dat ook bij de EU het geval. Het is bij de EU zelfs niet duidelijk welk instituut de rol van centrale overheid vertolkt. De Europese Raad en de Europese Commissie komen daar beide voor in aanmerking.

Je kunt nu de volgende presentatie bekijken over het tweede deel van deze inleiding:

Definitie van een economische en politieke unie

Een unie van staten die door economische motieven is bepaald noemen we een economische unie. Het doel van een economische unie is het vormen van een gemeenschappelijke markt, waarbij zoveel mogelijk handelsbelemmeringen, zoals invoertarieven, worden verwijderd. Naast de onbelemmerde handel in goederen en diensten, kan ook het vrije verkeer van kapitaal en arbeid (werknemers) tussen de lidstaten van de economische unie een kenmerk zijn van de unie. In de Europese Unie is het vrije verkeer van werknemers geleidelijk ingevoerd.

Binnen een economische unie is de autonomie van de lidstaten in beginsel onaangetast. Het vrij verkeer van werknemers kan het echter noodzakelijk maken dat er op centraal niveau regelingen worden vastgelegd die de rechten en plichten van werknemers uit andere lidstaten vastleggen. Deze centrale regelingen (zie hier voor de EU-regelingen) beperken uiteraard de autonomie van de lidstaten van de unie wat de behandeling van buitenlandse werknemers betreft.

Als naast onbelemmerde handel en vrij verkeer van arbeid en kapitaal er ook sprake is van een gemeenschappelijke munt, spreekt men van een economische en monetaire unie. In dat geval zal er ook sprake moeten zijn van een gemeenschappelijk monetair beleid met een centrale bank om de waarde van de munt te reguleren.

Binnen een economische en monetaire unie wordt de autonomie van de lidstaten nog verder beperkt. Een lidstaat kan dan immers geen eigen monetair beleid meer voeren. Zoals in de EU blijkt, kan een gemeenschappelijke munt er voorts toe leiden dat lidstaten in economische problemen komen (Griekenland, Italië), zodat het bieden van steunmaatregelen op unieniveau onvermijdelijk is. Met de oprichting van instituties die dergelijke steunmaatregelen kunnen bieden, wordt in beginsel de autonomie van lidstaten beperkt. Besluitvorming over steunmaatregelen vindt namelijk op centraal niveau (in de Europese raad en/of de Europese Commissie) plaats.

Als over steeds meer beleid op centraal niveau wordt beslist, wordt een unie meer en meer een politieke unie. Uiteindelijk kan dit ertoe leiden dat de unie evolueert naar een federatie. In een federatie wordt over een groot aantal beleidsonderwerpen op centraal niveau beslist. Hierbij kan men denken aan defensie, buitenlands beleid, maar ook aan een systeem van sociale zekerheid, onderwijs en infrastructuur.

Een federatie is de EU duidelijk nog niet, maar de EU begeeft zich langzaam wel in die richting. In de loop der tijd zijn er namelijk steeds meer autonome bevoegdheden van de lidstaten naar de centrale overheid in de EU geheel of gedeeltelijk overgeheveld. Zo is het autonome begrotingsbeleid van de lidstaten aan banden gelegd. Er is een centrale asielregeling (zie daarover college 4) en over financiële overdrachten tussen landen wordt op centraal niveau beslist.

Korte inhoud van de cursus

In het vervolg van deze cursus krijg je 4 colleges aangeboden. Het eerst volgende college (college 1) vind je hier. De daarop volgende drie colleges kun je downloaden na aanmelding voor de cursus, zie daarvoor de beschrijving in het overzicht van de cursus.

Het eerstvolgende college zal gaan over de vraag waarom lidstaten lid willen worden van een economische unie. We zullen kijken naar een aantal voordelen van het lidmaatschap van een unie. Het is bijvoorbeeld voordelig om in een unie te zijn als dat tot betere grensoverschrijdende misdaadbestrijding leidt, of als men er schaalvoordelen mee kan bereiken. Een nadeel is dat een land een deel van zijn autonomie moet opgeven. Zoals heel vaak bij economische problemen gaat het hier dus om een afweging van voor- en nadelen. Het zal blijken dat als een potentiële lidstaat ongeveer dezelfde opvattingen heeft over beleid als de zittende lidstaten het aantrekkelijk zal zijn om toe te treden tot de unie.

College 2 behandelt het centralisatievraagstuk in een unie. Welke taken kunnen het beste door de centrale overheid worden uitgevoerd en welke taken kunnen beter aan de lidstaten worden overgelaten. Het zal blijken dat opnieuw al dan niet gedeelde opvattingen bepalend kan zijn voor de uitkomst. Als de unie veel door de lidstaten gedeelde waarden kent, zal centralisatie vaak gewenst zijn. Als er echter veel verschillende opvattingen zijn over wat de centrale overheid zou moeten doen, kan de unie in een deadlock raken: sommige lidstaten zullen de voorkeur geven aan centralisatie, andere lidstaten willen liever decentralisatie.

De volgende twee colleges zullen een toepassing geven van de bereikte resultaten in college 1 en 2. College 3 gaat over het vraagstuk van interne en externe migratie. Zou er binnen de unie vrij verkeer van personen moeten zijn? Zo ja, is dat dan voor iedereen in de unie profijtelijk? Het antwoord daarop is niet ondubbelzinnig: ja.

Wat de externe migratie betreft is een belangrijke vraag of het de lidstaten toegestaan moet worden het asielbeleid in autonomie te bepalen, dan wel uit te voeren. Ook hier blijkt, net als bij het vraagstuk van centralisatie versus decentralisatie in het algemeen, geen eenduidig antwoord mogelijk. Een belangrijke bepalende variabele is hier opnieuw of de unie gedeelde waarden heeft wat externe immigratie betreft.

In college 4 gaat het over belastingbeleid. In de EU bestaat er vrijwel geen centraal belastingbeleid. De lidstaten zijn autonoom wat betreft specifieke belastingverdragen die zij met andere landen buiten de EU afsluiten en ook wat de tarieven van specifieke belastingen betreft. Het zal blijken dat deze decentrale besluitvorming vooral bij de belastingen op bedrijven, zoals bijvoorbeeld de vennootschapsbelasting, tot aanzienlijke welvaartsverliezen kan leiden.

Opmerking over opzet teksten en PowerPoint presentatie

Ieder college bestaat – net als bij deze inleiding – uit een tekst waarin meerdere PowerPoinT-presentaties (PpTs) zijn gevoegd. De tekst spreekt voor zichzelf, maar in de PpTs wordt een deel van de stof in meer technisch-economische zin uiteengezet. Het gebruik van wiskunde wordt daarbij vermeden. Op deze wijze krijg je een idee van de denkwijze van economen op het terrein van economische integratie.

Bij de aanmelding voor deze mini-cursus krijgt men ook een tekst over economische basiskennis. In deze tekst staan de theoretisch-economische resultaten vermeld die men nodig kan hebben om de theoretische achtergrond van de diverse beweringen in de teksten en de PpTs goed te doorgronden. In deze tekst over basiskennis wordt gebruik gemaakt van grafische methoden.

Dit is het einde van college 0, ga vanaf hier naar college 1 of ga terug naar het overzicht.

.

Categorieën: HOVO

0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.