De nieuwe pensioenwet (Wet toekomst pensioenen, Wtp) waarover wij eerder schreven lijkt inmiddels boven iedere discussie verheven. Het hoofdlijnakkoord – de basis voor kabinet Schoof – zweeg er immers als het graf over. Volgens NSC-Kamerlid Agnes Joseph betekent dat echter niet dat de coalitiepartners niet meer over het nieuwe pensioenstelsel zullen spreken. Zij zal haar best doen het stelsel op onderdelen te verbeteren. Hier heb ik dan alvast een tip voor haar: nationaliseer de solidariteitsreserve.  

Onzekerheid over pensioen in het nieuwe stelsel …

Eerst nog weer even het basiskenmerk van het nieuwe pensioenstelsel: het pensioeninkomen van deelnemers is onder de Wtp afhankelijk van de door hen betaalde premies en de ermee door de pensioenfondsen behaalde rendementen. Dat betekent dat gepensioneerden mogelijk een lager pensioen gaan krijgen. Dat is dé grote breuk met het oude pensioenstelsel waar deelnemers de belofte op een gegarandeerd pensioeninkomen kregen. In veel pensioenregelingen kwam die belofte neer op een pensioen van ruwweg 70 procent van het gemiddeld verdiende inkomen. Bij zo’n gegarandeerd pensioeninkomen is het voor de deelnemers niet zo relevant hoeveel premies zij betaald hebben en welk rendement daarover gemaakt is. In het nieuwe pensioenstelsel kunnen bij tegenvallende beleggingsresultaten pensioenuitkeringen echter fors lager uitvallen. De garantie op een onbezorgde oude dag is daarmee verdwenen.

Een onbezorgde oude dag?
Bron: unsplash.com

De Wtp laat het echter toe dat pensioenfondsen een solidari- teitsreserve opzetten om het risico op een tegenvallend pensioen te verkleinen. Aan de omvang van die solidariteits- reserve heeft de wetgever echter flinke beperkingen opgelegd. Zo mag een solidariteitsreserve nooit negatief worden. Evenmin mag die reserve erg groot worden: 15 procent van het vermogen in het pensioenfonds is het maximum. Deze wettelijke beperkingen verhinderen dat de solidariteitsreserve de risico’s tegen tegenvallende pensioeninkomens volledig kunnen wegnemen.

… kan minder door een betere solidariteitsreserve

Als die eisen voor de solidariteitsreserve echter flink zouden worden versoepeld, zou het nieuwe pensioenstelsel dezelfde bescherming tegen risico’s kunnen bieden als het oude pensioenstelsel. Omdat de solidariteitsreserve dan veel heviger kan fluctueren dan de Wtp nu toelaat, lijkt het beter om die solidariteitsreserve op nationaal niveau te organiseren. De liefhebbers van een stevige economische onderbouwing van deze claim, kunnen terecht in het economenblad ESB van 20 juni jl. Hier zal ik het iets minder economisch proberen uit te leggen hoe ook in het nieuwe pensioenstelsel aan deelnemers een garantie voor een volwaardig pensioen kan worden gegeven.

Het idee is eigenlijk simpel. In het nieuwe stelsel is het pensioeninkomen afhankelijk van de rendementen die pensioenfondsen op de ingelegde premies behalen. Neem eens aan dat het bekend is dat over een lange reeks van jaren pensioenfondsen gemiddeld 6 procent rendement halen. Dat is dus gemiddeld, want rendementen op beleggingen gaan op en neer, afhankelijk van de economische situatie. Soms is het rendement heel laag, zeg nul en soms is het rendement heel hoog, zeg 12 procent.

Geef deelnemers een gegarandeerd rendement

Maar als je – bijna – zeker weet dat het gemiddelde 6 procent is, kan een pensioenfonds aan zijn deelnemers beloven dat zij altijd een rendement van 6 procent op hun ingelegde premies krijgen. Ook als het pensioenfonds een hoger of een lager rendement dan 6 procent behaalt. Dit geeft deelnemers zekerheid, maar de pensioenfondsen krijgen nu de risico’s op tegenslag.

Dankzij gegarandeerd rendement Bron: pixabay.com

De fondsen moeten altijd 6 procent rendement op de belegde premies uitkeren. Als echter het feitelijk behaalde rendement lager is, zal het fonds meer moeten uitkeren dan er aan geld is binnen gekomen. Het fonds zal dan het tekort moeten financieren uit de winst die in het verleden is geboekt. Maar ook dat hoeft niet genoeg te zijn om het gegarandeerde rendement te kunnen uitbetalen. Dan zal het pensioenfonds een deel van de premies van de jongeren moeten gebruiken voor de financiering van pensioenenuitkeringen.

Dit betekent niet dat toekomstige generaties een lege pensioenpot zullen aantreffen. Dat zal pas gebeuren als alle premies van de nog niet gepensioneerden moeten worden gebruikt. Dan is er immers geen mogelijkheid meer voor fondsvorming. Dit kan zich voordoen als het feitelijk behaalde rendement gedurende lange tijd – bijvoorbeeld 80 jaar – lager is dan het rendement dat het pensioenfonds garandeert. Als men dit ziet aankomen, is het verstandig het gegarandeerde rendement – in ieder geval tijdelijk – te verlagen. Het omgekeerde kan echter ook gebeuren. Het zou kunnen dat gedurende lange tijd het feitelijke rendement hoger is dan het gegarandeerde rendement. In dat geval kan het verstandig zijn het gegarandeerde rendement te verhogen. Als men dat niet doet, zou namelijk het vermogen van de pensioenfondsen onbeperkt kunnen gaan groeien. In feite wordt dan te veel geld uit de economie gehaald.

Nationaliseer de solidariteitsreserve

De vraag is nu hoe dit alles zich verhoudt tot de solidariteitsreserve. Als de pensioenfondsen overschotten ten opzichte van het gegarandeerde pensioen weten te realiseren, dan kunnen ze die overschotten toevoegen aan de solidariteitsreserve. Tekorten, echter, zouden ze dan aan de solidariteitsreserve moeten onttrekken. Dit laatste geeft echter een probleem. Onder het nieuwe pensioenstelsel zou men misschien moeten beginnen met een negatieve solidariteitsreserve. Anderzijds, als er overschotten toegevoegd worden aan de solidariteitsreserve kan die reserve al snel groter worden dan 15% van het pensioenvermogen. Een negatieve en meer dan 15 procent solidariteitsreserves staat de Wtp echter niet toe.

Je zou je echter ook kunnen voorstellen dat men een nationaal solidariteitsfonds opricht. In dat fonds storten pensioenfondsen dan hun uniform berekende over- of ondervermogens. Als het solidariteitsfonds een negatief vermogen krijgt volgt er een aanvulling vanuit de rijksoverheid. Bij een te groot vermogen van het fonds – bijvoorbeeld groter dan 15 procent van het totale pensioenvermogen – wordt het ‘overtollige’ vermogen naar de rijksoverheid overgemaakt.

Deze compenserende betalingen van en aan de rijksoverheid zijn te rechtvaardigen. Als het met het rijk financieel goed gaat, doen de pensioenfondsen het relatief slecht, en omgekeerd. Dat komt omdat pensioenfondsen vermogen hebben en het rijk schulden. Als het rendement laag is, is dat slecht nieuws voor de pensioenfondsen, maar goed nieuws voor de rijksoverheid. Lage rendementen betekenen namelijk ook vaak dat de lasten van de schulden voor het rijk laag zijn. Het omgekeerde geldt bij hoge rendementen.

Een beter nieuw pensioenstelsel

In deze opzet garandeert het rijk via het solidariteitsfonds een zekere pensioenuitkering aan de deelnemers. De eisen die de wetgever aan het solidariteitsfonds heeft opgelegd, zijn nu overbodig geworden, omdat de pensioenfondsen niet langer verantwoordelijk zijn. Pensioenfondsen hoeven zich alleen nog maar met het beleggen van de ingebrachte premies bezig te houden. De taak om tussen generaties te herverdelen is geheel aan het solidariteitsfonds overgedragen.

Tevreden over beter pensioenstelsel? Bron: unsplash.com

Deelnemers aan een pensioenfonds lopen nu alleen nog een risico als hun pensioenfonds het relatief slechter doet met hun beleggingen dan andere vergelijkbare pensioenfondsen. Om pensioenfondsen te stimuleren een goed beleggingsbeleid te voeren, zouden deelnemers daarom de mogelijkheid moeten hebben om zonder vermogensverlies van pensioenfonds te wisselen.

Een nationaal solidariteitsfonds geeft – met deze laatste toevoeging van vrije overgang – een nieuw pensioenstelsel dat een maximale garantie biedt voor een onbezorgde oude dag.  


0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.