Bron: libris.nl

Met Merijn Oudenampsen heb ik een bijzondere band. Hij was namelijk een van de ondertekenaars van een open brief waarin gevraagd, zo niet geëist werd om mij als columnist van het Tilburgse universiteitskrant(je) te cancellen. Vrijheid van meningsuiting is bij hem dus niet in goede handen. Daarom wellicht wilde hij ook zijn licht laten schijnen op het neoliberalisme dat immers vrijheid ook groot op het banier heeft staan. Hij had daar al een poging toe gedaan in zijn proefschrift. Helaas kon ik daar niet doorheen komen, drie keer ben ik opnieuw begonnen, maar niet verder gekomen dan ergens in hoofdstuk 2. Hans Achterhuis die kennelijk wel in staat was het proefschrift van begin tot eind uit te lezen, omschreef het boek als irritante etikettenplakkerij.  

Het moet gezegd, “Neoliberalisme” (vanaf nu NEL) is wel heel leesbaar. Dat komt misschien omdat er een tweede auteur, Bram Mellink, bij gehaald is die beter kan schrijven dan Oudenampsen. Ik heb het boek aan het strand gelezen bij een temperatuur van bijna 40 graden Celsius en ik kwam tot de allerlaatste bladzijde. Daarmee zijn echter alle complimenten wel op. Dit boek is namelijk inhoudelijk een mislukking. Het boek is misleidend, zelfs een winnaar van de P.C. Hooftprijs heeft zich door dit boek laten misleiden. Maar, voor we verder gaan, laten we eerst kort uiteenzetten wat neoliberalisme inhoudt.

Neo- versus klassiek liberalisme

Adam Smith (1723-1790)
Bron: commons.wikimedia.org

Het klassieke liberalisme vinden we bij de klassieke economen, Adam Smith voorop. Volgens Adam Smith zou als iedereen zijn eigen belang volgde, de markt ervoor zorgen dat er een zo maximaal mogelijke welvaart tot stand zou komen. Prijzen zorgen ervoor dat individuele aan- en verkoopbeslissingen tot een evenwicht op de markten leiden. Als individuen dus volledig vrij zijn in wat ze doen, is dat het beste voor iedereen.

De klassieke liberalen waren daarom voorstander van een onbeperkte werking van de markt, zonder enig overheidsingrijpen. De overheid diende te functioneren als een ‘nachtwakersstaat’. Dat wil zeggen dat er recht en orde diende te heersen. Onder anarchie kan een markt niet werken. Maar verder moest de overheid zich onthouden van ingrijpen in het persoonlijke leven. Privaat eigendom mocht nooit worden aangetast.

De neoliberalen zijn ook voorstander van het vrijlaten van de markt. Politieke vrijheid en privaat eigendom liggen in elkaars verlengde. Zodra de overheid het private eigendom begint aan te tasten, ligt dictatuur op de loer. Toch geeft het neoliberalisme de overheid een grotere rol dan de klassieke liberalen deden. De overheid moet niet alleen zorgen voor een rechtssysteem, maar moet er ook op toezien dat geen enkele persoon of groep in staat is de marktprijzen te beïnvloeden. De overheid moet dus ook kartels of monopolies bestrijden. Macht over productiemiddelen mag niet bij een beperkte groep terecht komen, maar moet gespreid zijn.

Een vijand van het neoliberalisme: keynesianisme

John Maynard Keynes
Bron: commons.wikimedia.org

Keynes is onsterfelijk geworden door zijn recept van contracyclisch beleid. Als de economie in een recessie is, moet de overheid via extra uitgaven of lagere belastingen de economie stimuleren. Als de economie oververhit dreigt te raken, moet de overheid haar activiteiten juist inkrimpen.

Het neoliberalisme is om meerdere redenen tegen een dergelijk keynesiaans beleid. Politici worden niet door populair door te bezuinigen, maar wel door stimulerend beleid. Er zal dus een neiging zijn om recessies te overschatten en perioden van hoogconjunctuur juist te onderschatten. Het overheidsbeleid zal dus niet contra-, maar eerder procyclisch zijn. Bovendien, omdat stimulerend beleid vaak wordt gefinancierd door schulden aan te gaan, dreigt ook nog het gevaar van uit de hand lopende overheidsschuld. 

Maar ook als politici wel echt contracyclisch beleid willen voeren, is er een probleem. De informatie over de toestand waar de economie zich in bevindt is moeilijk te verkrijgen en zal in ieder geval achterlopen bij de werkelijke ontwikkeling. Stimulerend beleid en remmend beleid komen dan altijd te laat en zijn dus ook om deze reden procyclisch.   

BMMO schrijven geen ideeëngeschiedenis

Het boek “Neoliberalisme” (NEL) van BMMO gaat eigenlijk nauwelijks over de ideeën van het neoliberalisme. Het gaat vooral over de “personen en instanties die het neoliberalisme in Nederland hebben bedacht, vertaald en verspreid.” (NEL, blz. 11)

Omdat neoliberale ideeën meer in het voorbijgaan worden besproken in NEL houdt dit het risico in dat beleidsmaatregelen die ergens in de verte neoliberaal gemotiveerd lijken te zijn, ten onrechte een neoliberaal label opgeplakt krijgen. En inderdaad, het boek zit vol met voorbeelden daarvan. In dit blog beperken we ons tot de behandeling van het Nederlandse begrotingsbeleid van na WO II door BMMO. Die behandeling vliegt namelijk in NEL continu uit de bocht.

Is een zuinige overheid neoliberaal?

Willem Brees jr.
Bron: commons.wikimedia.org

Een misverstand dat al vroeg in het boek NEL opduikt, is dat als ambtenaren en/of politici voorstander zijn van een zuinige overheid dit duidt op neoliberale sympathieën. Dat zou bijvoorbeeld voor Willem Drees jr. gelden. Hij wordt op diverse plekken in NEL ten tonele gevoerd met zijn pleidooi om de groei van de overheids-uitgaven beter in de hand te houden. Drees jr. merkte in zijn functies – van 1956 tot 1971 – bij het ministerie van financiën dat er voortdurend een neiging was om meer uit te geven dan gewenst was. Vakministers werden niet populair door op de uitgaven van hun ministerie te bezuinigen. Dus wilden ze altijd een verhoging van hun begroting. De minister van financiën moest zich tegen een dreigende uitgavenlawine verweren, maar stond daarin alleen.

Stijgende overheidsuitgaven zijn overigens niet per definitie onwenselijk. Maar als die voortdurend, zonder duidelijke rem, blijven groeien, dreigt een financieringsprobleem. Dat is zeker het geval als de overheidsuitgaven sneller groeien dan het nationaal inkomen en er voor die extra uitgaven geleend moet worden. In het laatste geval groeit de overheidsschuld. De kredietwaardigheid van de overheid is echter niet oneindig, want bij een te hoge overheidsschuld dreigen Griekse toestanden met een staatsbankroet. Ook mensen zonder neoliberale sympathieën vinden een staatsbankroet niet aanlokkelijk.

De minister van financiën kan de zuinigheid bevorderen   

Zijlstra: minister van financiën
Bron: commons.wikimedia.org

Volgens Drees jr. zou de minister van financiën speciale bevoegdheden moeten krijgen om een dreigende uitgavenlawine te voorkomen. Minister van financiën Jelle Zijlstra kreeg het in 1960 – mede op advies van Drees jr. – voor elkaar om zo’n speciale bevoegdheid te regelen. Zijlstra voerde het zogenaamde structurele begrotingsbeleid in.  

Dit structurele begrotingsbeleid wordt door BMMO wat krakkemikkig uitgelegd op blz. 90 van NEL. Het is hun waarschijnlijk ontgaan dat dit beleid honderd procent gemotiveerd werd door keynesiaanse beginselen. Het idee was namelijk dat de overheid het positieve structurele verschil tussen binnenlandse besparingen en binnenlandse investeringen mocht aanvullen. Dit verschil zou anders, zonder ingrijpen van de overheid, tot onderbesteding leiden. Dus was het toegestaan als de overheid een financieringstekort op haar begroting aanhoudt. Deze regel klinkt verre van zuinig en nog minder neoliberaal. Neoliberalen plegen tekorten en de daaruit volgende overheidsschulden af te keuren.

De weeffout in het structurele begrotingsbeleid

Theo Stevers Bron: docplayer.nl

Bij het structurele begrotingsbeleid werd wel een norm voor het financieringskort geformuleerd, maar niet voor de uitgaven en/of de belastingen. Een regering kon dus keurig binnen de normen van het structurele begrotingsbeleid blijven, maar toch de uitgaven uit de hand laten lopen (dit zagen BMMO overigens wel, zie NEL, blz. 91).

Dat is wat er ook gebeurde. Het stijgen van de overheidsuitgaven moest dan uiteraard gecompenseerd worden door de belastingtarieven navenant te verhogen. Volgens sommigen – neoliberalen, maar bijvoorbeeld ook mijn voorganger in Tilburg Theo Stevers (NEL, blz. 134) – leidde dat opblazen van de overheidssector tot problemen in de private sector. Daardoor nam de economische groei af, steeg de werkloosheid en daalden de belastingopbrengsten. Uiteindelijk leidde dat toch tot een structurele stijging van het financieringstekort, terwijl het juist de bedoeling was dat tekort op termijn constant te houden.

Het is moeilijk te bewijzen dat de stijging van het financieringstekort het gevolg was van het ontbreken van een uitgaven- of lastennorm, maar die stijging viel niet te ontkennen. Het structurele begrotingsbeleid, zoals dat door minister Zijlstra – met de hulp van Drees jr. – was geformuleerd, werkte dus niet. Het voldeed immers niet aan het uiteindelijke doel, namelijk de structurele beperking van het financieringstekort van de overheid. Ergens eind jaren 1970 / begin jaren 1980 werd dat beleid dan ook overboord gezet en ging de regering noodgedwongen over op een beleid waarbij de daling van het financieringstekort voorop stond.

Maar keynesiaans beleid werd niet verbeurd verklaard

Links: Kok en Van Agt, Lubbers, tweede van rechts
Bron: commons.wikimedia.org

Werd daarmee het keynesiaanse experiment verbeurd verklaard, terwijl het respect voor neoliberale denkbeelden steeg? BMMO suggereren van wel (NEL, blz. 142), maar dit is gebaseerd op een misinterpretatie. Het keynesiaanse element werd tijdelijk buiten werking gezet omdat het hoge financieringstekort – overigens vooral zo hoog geworden onder het rechtse kabinet Van Agt-Wiegel – tot een niet meer financierbare overheidssector dreigde te leiden. Alle aandacht moest daarom gericht worden op het terugdringen van het financieringstekort. Dat gebeurde onder de kabinetten Lubbers I tot en met III (1982 – 1994) met eerst Onno Ruding en daarna Wim Kok als minister van financiën.

Dit beleid was zeker niet keynesiaans, want hoe slechter het ging met de overheidsfinanciën – en dus met de economie – des te meer er bezuinigd moest worden. Omgekeerd als het goed ging met de overheidsfinanciën. Er resulteerde dus noodgedwongen een procyclisch begrotingsbeleid. Dat beleid versterkte de conjunctuur in plaats van er tegenin te gaan, zoals het advies van Keynes luidde.

BMMO mist het idee van het trendmatig begrotingsbeleid   

Gerrit Zalm
Bron: commons.wikimedia.org

Toen kwam in 1994 het kabinet Kok I, het eerste kabinet sinds tijden zonder christelijke partijen. Volgens BMMO was het programma van dit kabinet een compromis tussen neoliberalisme en de zogenaamde derde weg van de sociaaldemocraten. Wat BMMO echter miste is de betekenis van de invoering van het trendmatig begrotingsbeleid. Zij beschrijven hoe Gerrit Zalm (minister van financiën in Kok I) zich door nieuwklassieke economen had laten inspireren, namelijk Robert Lucas en Robert Barro. BMMO schrijven: “Beiden hadden in de jaren zeventig beklemtoond dat het door keynesianen voorgestane ‘activistische overheidsbeleid niet de oplossing, maar ten dele juist de oorzaak’ was van de economische malaise van hun tijd.” Even verderop: “Zalm presenteerde zijn trendmatig begrotingsbeleid als kroon op het werk van Rutten, maar vertolkte een boodschap die al sinds Drees jr. op het ministerie van financiën klonk.” (NEL, blz. 218)

Hier worden een aantal planken flink misgeslagen. Op de eerste plaats was dit beleid niet de uitvinding van Zalm. Het was het resultaat van een rapport van de studiegroep begrotingsruimte. Die studiegroep bestond uit dertien leden en Zalm was, als directeur van het CPB, een van die dertien leden. Op de tweede plaats kan de uitvinding ook niet aan Rutten – invloedrijk topambtenaar bij het ministerie van economische zaken – worden toegeschreven. Hij was geen lid van de studiegroep en heeft, bij mijn weten, geen bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van dat beleid.

Het trendmatig begrotingsbeleid was keynesiaans

Op de derde plaats, de relatie die Zalm – geen intellectuele hoogvlieger, overigens – met Lucas en Barro legde, was voor zover het om het afwijzen van keynesiaans beleid ging volledig misplaatst. Het trendmatige begrotingsbeleid was in feite niet veel meer dan een herschrijving van het structurele begrotingsbeleid dat door Zijlstra al vroeg in de jaren zestig was geformuleerd. Zoals we zagen was dat beleid zeer keynesiaans. Het trendmatige begrotingsbeleid was dat dus ook, maar een paar van de constructiefouten van het structurele begrotingsbeleid waren daarbij verwijderd.

Een zo’n constructiefout was dat er wel een norm voor het financieringstekort werd geformuleerd, maar niet voor de uitgaven of inkomsten van de overheid. Dat werd nu gecorrigeerd door naast een trendmatige norm voor het financieringstekort nu ook een uitgavennorm te eisen (als BMMO dit stuk van mij (alleen voor abonnees ESB) hadden gelezen, maar je gaat natuurlijk niet een gecancelde auteur lezen, was hen wat blunders bespaard gebleven). Dit werd de Zalmnorm genoemd, omdat Zalm de eerste was die zo’n norm in het begrotingsbeleid toepaste.

Het werd dus niet de Zalmnorm genoemd omdat Zalm het trendmatige begrotingsbeleid had uitgevonden. Sterker nog, Zalm hield zich niet eens aan zijn eigen norm, zoals ik eerder heb laten zien. Zalm was gewoon een middelmatige minister van financiën. Hij kon en/of wilde niet op boksen tegen de wensen van uitgaven-verhogende ministers – Els Borst voor de zorg – en maakte misbruik van de gunstige conjunctuur om die wensen te financieren. Daarmee zondigde hij tegen het basisprincipe van het trendmatige begrotingsbeleid, namelijk dat het automatisch stabiliserend zou moeten zijn. Zo gaf hij de macht die een minister van financiën heeft om het tekort structureel binnen de perken te houden uit handen. Als Zalm al een neoliberaal was, was dat niet aan zijn beleid te merken.

Een hol boek met een holle conclusie

Tot zover wat NEL over begrotingsbeleid te zeggen heeft. BMMO begrijpen dus niet welke (keynesiaanse) ideeën er achter het Nederlandse begrotingsbeleid schuilgaan. Zij denken namelijk dat dit beleid door neoliberalen is bedacht. Omdat het begrotingsbeleid een grote rol speelt in NEL, loopt deze misvatting door het hele boek heen. Als je die misvatting eruit zou halen, wordt het nogal een hol boek. De conclusie die BMMO uit hun boek trekken, namelijk dat het neoliberalisme een “holle staat” heeft nagelaten (blz. 243), klinkt daarmee ook, ja inderdaad: hol.

Er zijn overigens nog veel meer curieuze interpretaties in NEL. Dat geldt in ieder geval voor industriepolitiek, sociale zekerheid en decentralisatie. Misschien komen we daar nog eens op terug. Maar misschien ook niet, want dit blog toont al voldoende aan dat NEL een complete mislukking is. Vergelijk NEL eens met het boek Freedom (an unruly histoy) van Annelien de Dijn, waar ik in dit blog iets over zeg. Dat is wel een ideeëngeschiedenis van het begrip vrijheid en geen “irritante etikettenplakkerij”, om met Hans Achterhuis te spreken.


0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.