De leider van het Forum voor Democratie, Thierry Baudet, vindt dat de academische vrijheid op de universiteiten in gevaar is. Hij spreekt zelfs van “ondermijning”. Voor grote delen van het academische onderzoek bestaat er echter geen enkele beperking van de academische vrijheid. Over sommige maatschappelijke vraagstukken kun je echter binnen de academie je mening niet uiten zonder een roep om censuur op te wekken. Dat mocht professor Paul Cliteur uit Leiden en parlementariër voor het FvD recent merken. Op mijn eigen universiteit in Tilburg heb ik die roep ook diverse malen gehoord, waarbij het in één geval mijzelf als slachtoffer betrof. Een traumatische ervaring.

#nomoremetoo

Ergens in september van het jaar 2017 werd ik door de redactie van Univers, de universiteitskrant van Tilburg University (TiU), gevraagd of ik een blog zou willen beginnen op hun website. Ik antwoordde de redactie dat ik dat wel wilde, maar dat de bestuurders van de universiteit mijn stukjes waarschijnlijk niet leuk zouden vinden. Maar dat was geen bezwaar voor de redactie, ze wilde “prikkelende stukjes” en ik schreef mijn eerste twee stukjes. Er gebeurde niets. Maar toen kwam mijn derde stukje, een pleidooi tegen #metoo op de academie dat werd geplaatst op vrijdag 3 november 2017.

Het stuk begon met de bewering dat succesvolle mannen “aantrekkingskracht op meisjes en vrouwen hebben door hun bekendheid en succes”. Dus, een man als de eens jonge en machtige studiobaas Harvey Weinstein zal een aantrekkelijk object geweest zijn voor vrouwen. Ik schreef “vrouwen”, en dus niet: “alle vrouwen”. Sommige vrouwen willen seks ruilen voor een carrière, andere vrouwen niet. Ik beweerde dus niet dat seksueel misbruik altijd uitgelokt is door vrouwen, maar ook niet dat misbruik nooit uitgelokt is. De waarheid is nooit zwart-wit, maar altijd grijs. Welke vrouwen wel het recht hadden zich in het openbaar te beklagen over het seksuele wangedrag van Harvey Weinstein en welke niet, kan niemand weten. Het staat alleen vast dat vrouwen die mensen als Harvey Weinstein aanklagen niet bij voorbaat onschuldig zijn. Omgekeerd staat het niet bij voorbaat vast dat de aangeklaagde schuldig is.

Ik was tegen #metoo-campagnes op de campus, omdat op een openbare beschuldiging van machtsmisbruik, weerwoord geen enkel effect heeft. De beschuldigde is gebrandmerkt. Schuldig, of onschuldig.

Roep om censuur

Direct nadat mijn stukje over #metoo was verschenen, ontstond er een soort mediastorm. 41 collega’s schreven een open brief, die zij aan alle bestuurders van de universiteit stuurden, waarin werd gesuggereerd dat ik seksuele intimidatie zou goedkeuren. Zij eisten dat hun brief op de website van Univers zou worden geplaatst en dat mijn column over #metoo zou worden verwijderd. De hoofdredacteur van Univers reageerde snel in een redactioneel commentaar dat “wij vanuit het principe van de vrijheid van meningsuiting onze columnisten niet willen censureren”. Maar ze nam ook afstand van mijn column. Dat was kennelijk de prijs om een geestelijke lynchpartij te voorkomen, maar die prijs bleek niet hoog genoeg.

Op de besloten site van de universiteit had het college van bestuur (CvB) op de dag dat mijn column verscheen (3 november 2017) direct gemeld dat het mijn column “onnodig en kwetsend” vond. Wat er kwetsend was aan mijn column wilde het CvB mij niet uitleggen. Het CvB reageerde wel naar de briefschrijvers toe in een e-mail: “De inhoud van de column past niet bij de manier waarop wij binnen onze universiteit met elkaar willen omgaan. Tilburg University hanteert een beleid waarin respect, diversiteit en professionaliteit centraal staan. Het college hecht eraan dat men deze organisatie als een veilige en gezonde werkomgeving ervaart.” Deze opmerkingen waren dus niet aan mij gericht, ik was alleen maar lijdend voorwerp. 

De 41 collega’s, gesterkt door de steun van het CvB, zetten de hoofdredacteur nog meer onder druk om hun open brief alsnog te publiceren. Zij bezweek: op 9 november plaatste zij de open brief op de site van het blad, maar zonder mij op de hoogte te stellen en zonder mij een weerwoord te gunnen. Het leek er op dat ze van hogerhand was geïnstrueerd om mij de mond te snoeren. Het toezichtsorgaan op de redactie van Univers was gelukkig wel onafhankelijk genoeg om mij een weerwoord te laten schrijven.

Het was vrijdag 10 november en ’s avonds schreef ik samen met mijn echtgenote het weerwoord. Alle zijpaden die alleen maar weer tot commotie zouden kunnen leiden gooiden wij eruit en het eindresultaat was tamelijk rechttoe-rechtaan: op de academie moeten we niet aan een #metoo-campagne beginnen. Dat stond natuurlijk ook in de column zelf, maar vele tere gekwetste academische zielen hadden dat er niet in gelezen. Dezelfde avond nog mailde ik de reactie naar de hoofdredacteur.

Er gebeurde niets, tot ik op maandagochtend 13 november om 9:35 uur de volgende mail van de hoofdredacteur ontving: “Beste Harrie, zoals je waarschijnlijk gezien hebt, heb ik afgelopen weekend namens de redactie een reflectie geplaatst. Michiel Bot, initiatiefnemer van de open brief, heeft daarop gereageerd: “(…). De zorgvuldige ‘Reflectie op column Verbon’ die jullie gisteravond hebben gepubliceerd is precies waar ik in ieder geval persoonlijk op hoopte.” Daarmee is de zaak eindelijk rustig geworden. Wil je nog steeds dat ik jouw antwoord hierop plaats? Met het risico dat de strijd weer helemaal oplaait?” Die reflectie was mij ontgaan en dat Michiel Bot er tevreden over was, was al voldoende reden mij ernstig bezorgd te maken. Ik las de reflectie op de column Verbon: “Ook hebben we hierin openlijk afstand genomen van de column van Verbon” en: “Een redactie fungeert ook als filter. Is ons filter in dit geval te zwak geweest?” en: “Als redactie zijn we geschrokken van de mogelijke schadelijke gevolgen van deze column. Het vereist veel moed van slachtoffers van seksueel misbruik om de schaamte te doorbreken en naar buiten te treden. Het kan nooit de bedoeling van een column zijn om slachtoffers hierin te ontmoedigen.”

In die reflectie trok de hoofdredacteur de steun voor mijn column terug, terwijl ze mijn stuk zonder enige bedenking had geplaatst. Wat was er gebeurd? De groep van 41 collega’s was blijven aandringen op maatregelen zelfs nadat hun open brief was gepubliceerd op de website. Mijn column moest weg, er mocht zeker geen weerwoord van mij komen en de redactie moest nog uitdrukkelijker afstand van mijn column nemen. Voor die laatste eis was de redactie dus al gezwicht. De groep van 41 had al haar eisen bijna binnen: de hoofdredacteur van Univers had namens de redactie mijn column veroordeeld (want die: “ontmoedigt het aanmelden van seksueel misbruik”) en ze wilde mijn weerwoord ook niet meer plaatsen.

Ik nam opnieuw contact op met de redactieraad om mijn journalistieke recht op weerwoord te claimen. Of dat geholpen heeft, weet ik niet, maar om 12:05 uur maandag 13 november, ontving ik het volgende bericht: “Harrie, je hebt recht op een weerwoord, vinden ook wij na lang overleg op de redactie deze morgen. We gaan plaatsen. Groet.” Het moet gezegd, het weerwoord werd snel geplaatst. Het was ook direct mijn laatste bijdrage aan het universiteitsblad Univers. Volgens de hoofdredacteur was iedereen op de redactie door deze ‘affaire’ bang voor zijn baan geworden. Om die baan te redden, werd ik door het drek gehaald en werd vrije meningsuiting om zeep geholpen. Ik zegde dus de medewerking met Univers op en besloot het blad geen seconde meer in te zien.

Nabrander 1: ontslag van de hoofdredacteur

De hoofdredacteur van Univers had geprobeerd door steeds meer toe te geven aan de groep van 41 de verontwaardiging over de #nomoremetoo-column te dempen. Het zou haar niet helpen, want begin december 2017 al ontving zij een dreigende brief van het CvB. Het CvB nam het haar kwalijk dat ze mijn column zonder overleg met de redactieraad had gepubliceerd. Vervolgens werd in februari 2018 in Univers zelf gemeld dat de redactie en redactieraad het vertrouwen in haar hadden opgezegd. Er zou voor haar een andere positie gezocht worden. Volgens datzelfde schrijven was mijn column hierbij slechts “deels en zijdelings” van belang. Er was al langer “onvrede met het gevoerde beleid en de journalistieke accenten die hierbij werden gelegd”.

Dit ‘redactioneel’ tekende de hypocrisie van de betrokkenen. De brief die het CvB aan de hoofdredacteur had gestuurd bevatte geen enkele melding van “journalistieke accenten”, maar het accent lag volop op mijn column, die niet zou passen bij “de manier waarop wij met elkaar omgaan in en buiten onze academische gemeenschap”. Het was duidelijk dat mijn column voor het CvB de aanleiding was om de hoofdredacteur aan te pakken. Bovendien stuurde het CvB direct aan op haar ontslag. Dat ontslag werd verder niet aan de grote klok gehangen. Het redactioneel vermeldde zelfs niet eens dat zij op non-actief was gesteld: zij was alleen maar “niet meer actief”. Zij werd echter gewoon ontslagen wegens een “onwerkbare situatie”.

Uiteindelijk werd de hoofdredacteur het grootste slachtoffer van mijn column over #metoo. De groep die zich zo bezorgd had gemaakt over het welzijn van de slachtoffers van seksueel misbruik, maakte zich geen enkele zorgen om het welzijn van de hoofdredacteur. Niemand van de groep van 41 en andere academici die zich gekwetst voelden door mijn column, stak een vinger uit voor haar. Een ander ‘immaterieel’ slachtoffer was de academische vrijheid van meningsuiting. Iedere volgende hoofdredacteur wist nu dat als er een controversieel stuk geplaatst zou worden, de mogelijkheid van ontslag op de loer lag. De onafhankelijkheid van het universiteitsblad was daarmee om zeep geholpen.

Nabrander 2: we beginnen weer van voren af aan

Daarmee leek er een einde te komen aan de academische storm over een column van nog geen 500 woorden. Ik voelde me in het openbaar besmeurd, terwijl mijn boodschap juist was dat we elkaar op dit vlak op de academie in het openbaar niet moeten besmeuren. Ik bereikte precies het tegenovergestelde, namelijk een hetze tegen mij waarin 41 academici mij van zaken beschuldigden die niet in mijn column stonden. Het CvB van de Tilburgse Universiteit ging volop in deze hetze mee door steeds maar weer te herhalen dat de inhoud van de column niet paste “bij de manier waarop wij binnen onze universiteit met elkaar willen omgaan.” (…) en dat het college eraan hecht “dat men deze organisatie als een veilige en gezonde werkomgeving ervaart.” Zeker, ik hecht daar ook aan, maar kennelijk heb je daar geen recht meer op als je iets te ironisch over de #metoo-beweging schrijft. Ik voelde mij Josef K. uit Het Proces van Franz Kafka die nog steeds niet weet waar hij van beschuldigd wordt als hij op het eind van de roman wordt geëxecuteerd. Die gezonde en veilige werkomgeving is er wel voor de aanklagers, maar, net als bij Kafka, niet voor de aangeklaagde.

Maar het was nog niet voorbij. Onlangs, mei 2019, was ik bij een bijgebouw van de universiteit waar ik zelden kom. Ik moest even wachten en in de wachtruimte zag ik een grote verzameling papieren versies van Univers liggen. Ik had mij voorgenomen nooit meer de Univers te lezen, maar mijn oog in die wachtruimte viel op een exemplaar getiteld “De universiteit geen safe space”. Ik dacht dat dit nummer ging over een recent onderzoek waarin een groot deel van de respondenten te kennen gaf zich niet veilig te voelen op de universiteit. Hoewel het trauma van mijn ervaring met de column nog niet helemaal weg was, begon ik het door te bladeren.

Het bleek echter een exemplaar van 12 april 2018 te zijn waarin het voor een groot deel over mijn #metoo-column ging. Er kwamen allerlei mensen aan het woord die een mening over mijn column hadden en een mening of het al dan niet geoorloofd was zo’n column in Univers te plaatsen. Nu had ik, behalve in Univers ook in het Brabants Dagblad op 9 februari 2018, de portee van mijn column nog eens uitgelegd. In het artikel in Univers van 12 april 2018 werd echter op geen enkele manier melding gemaakt van mijn latere toelichtingen. Wel werd er opnieuw beweerd dat ik zou vinden dat slachtoffers van seksueel misbruik zelf schuldig zijn aan dat misbruik. Dat was opnieuw een volkomen verdraaiing van wat ik bedoelde te zeggen, namelijk dat het niet altijd duidelijk is wie slachtoffer is en wie dader. In dat artikel van 12 april 2018 over de veilige werkomgeving aan onze universiteit, mochten diverse mensen ongefundeerde roddels over mij te berde brengen, maar aan mij was niets gevraagd. Ik moest het opnieuw toelaten dat ik besmeurd werd door mensen die hun mond vol hadden over intimidatie. Mensen die het hebben over een veilige werkomgeving, maar het kennelijk geen probleem vonden dat er allerlei intimiderende dingen worden beweerd over mensen waar ze het niet mee eens zijn.

Het academische klimaat in Tilburg

Wat kan de groep van 41 bewogen hebben om het universiteitsblad onder grote druk te zetten een columnist uit te schakelen? De ondertekenaars waren allemaal academici die onafhankelijke meningen zouden moeten waarderen. Een van de ondertekenaars is zelfs betrokken bij de uitreiking van de E. du Perronprijs; Du Perron pleegde in 1940 zelfmoord omdat hij vreesde door de nazi’s de mond gesnoerd te worden.

Het leken eerder 41 fundamentalisten die zich door een stukje van nog geen 500 woorden tot een disproportionele geestelijke terreur op personen lieten verleiden. Dit bleek ook toen ik de vertrouwenspersoon die de open brief had ondertekend vroeg of hij dat in overeenstemming vond met zijn rol als vertrouwenspersoon. Hij bleek er echter geen enkele behoefte aan te hebben met mij een discussie aan te gaan. Natuurlijk niet! Fundamentalisten discussiëren niet; zij hebben immers gelijk.

Dat is dus het academische klimaat op sommige plekken van de campus: de ondertekenaars van de brief waren vooral te vinden bij sociale psychologie, liberal arts en de humanities. Bij deze vakgebieden waart een denkpolitie rond die meningen scant op politieke correctheid. Zodra meningen niet naar de zin zijn van deze denkpolitie, wordt een massa meelopers en bestuurders gemobiliseerd die met alle macht de afwijkende mening de kop indrukt. Dat is niets anders dan de ondermijning van de academische vrijheid, zoals die door Thierry Baudet is gesignaleerd.